Wat verbindt het Dickens Festival met de straten van het Bergkwartier?
Dat zou wrang zijn geweest. Ooit was dit stukje stad het centrum van voorspoed. Vanaf de twaalfde eeuw bloeide Deventer door haar vijf jaarmarkten. De stad stond dan op zijn kop. Kooplieden besloten in Deventer te blijven. Ze kwamen uit heel Europa en vestigden zich in het Bergkwartier. Daar lieten ze statige huizen bouwen. Vanaf 1560 ging het bergafwaarts. Er kwamen oorlogen. Vestingwerken om de stad hielden vijanden buiten, maar ook handelspartners. Kooplieden vertrokken. Toen in 1874 eindelijk de vestingwerken verdwenen was het te laat. De koopmanshuizen waren volgestouwd met gezinnen die elke ruimte benutten, zelfs de kelders. Onderhoud verdween, verval nam bezit van de wijk.
Daarbovenop kwam de Tweede Wereldoorlog. Van de twaalfduizend huizen in de binnenstad raakten er tienduizend beschadigd en het Bergkwartier kreeg de hardste klappen. Daken stortten in, gevels brokkelden af en straten lagen in puin. Wat ooit een trotse wijk was, leek rijp voor de sloop. En dat was precies wat er dreigde: totale afbraak, ten gunste van een frisse, moderne wijk in de stad. Het scheelde weinig of Deventer had zijn middeleeuwse ziel verloren.
Gelukkig waren er mensen die anders keken. Geen bulldozers, maar herstel. Met de oprichting van NV Bergkwartier ontstond een vernieuwend model: panden kopen, restaureren en verhuren. Dankzij burgers, bedrijven en gemeente kreeg de wijk een tweede kans. En juist dat wat ooit als achterstand gold; smalle straten, scheve gevels en kronkelende steegjes, bleek de grote kracht. In Deventer kun je de geschiedenis zien en er middenin wonen of wandelen. Tijdens het Dickens Festival bijvoorbeeld. Dat maakt de stad bijzonder. En gelukkig niet vermoderniseerd.